Hoofdstuk 4 – Afronding, herordening en toekomstafspraken: van convenant naar governance (2023–heden)
In de recente ontwikkelingen, staan governance, maatschappelijke legitimatie en toekomstbestendigheid centraal.

4.1 Het einde van het Convenant EVC
Een belangrijk formeel ijkpunt in de recente geschiedenis van het EVC-stelsel is het aflopen van het Convenant EVC.
Een belangrijk formeel ijkpunt in de recente geschiedenis van het EVC-stelsel is het aflopen van het Convenant EVC. Dit convenant, vaak aangeduid als Convenant EVC 1, werd gesloten tussen de rijksoverheid — vertegenwoordigd door Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Ministerie van Economische Zaken en Klimaat — en de sociale partners, verenigd in de Stichting van de Arbeid.
Het convenant liep formeel tot 1 januari 2023 en is geëindigd op 31 december 2022. De overheid heeft expliciet kenbaar gemaakt het convenant niet te willen verlengen. De reden hiervoor ligt niet in een afwijzing van EVC, maar in een beleidsmatige herpositionering: EVC wordt door de overheid beschouwd als een van
meerdere valideringsinstrumenten binnen het bredere beleid voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO).
Met deze keuze neemt de overheid afstand van EVC als afzonderlijk stelsel met een eigen convenant, maar niet van EVC als instrument. Daarmee verschuift het zwaartepunt van sturing en eigenaarschap nadrukkelijker naar het maatschappelijke en veldniveau.
De sociale partners hebben in reactie hierop benadrukt dat zij EVC blijven zien als een waardevol arbeidsmarktinstrument. Ook zonder convenant willen zij het gebruik ervan blijven stimuleren, juist vanwege de betekenis van EVC voor mobiliteit, inzetbaarheid en erkenning van ervaring.
4.2 Zoeken naar nieuwe samenhang
Het beëindigen van het Convenant EVC per 31 december 2022 markeert geen abrupt einde van het EVC-stelsel, maar wel een institutionele overgang.
Het stelsel blijft bestaan en functioneren, terwijl de vanzelfsprekende bestuurlijke kapstok van een door de overheid gedragen convenant wegvalt. Daarmee ontstaat ruimte voor herpositionering, maar ook de noodzaak om nieuwe vormen van samenhang, governance en onderlinge afstemming te organiseren.
In deze context wordt op 20 december 2023 een gezamenlijke notitie vastgesteld door de Stichting van de Arbeid, de Stichting Examenkamer, de EVC Aanbiedersraad, Hobéon en Testudo. Deze notitie ‘Afspraken tussen stakeholders over het EVC-stelsel – 2023‘ vormt een belangrijk moment van gezamenlijke reflectie en herordening.
De notitie is geen nieuw convenant en bevat geen publiekrechtelijke afspraken. Zij fungeert als brugdocument: een gezamenlijke verkenning van verantwoordelijkheden, knelpunten en vervolgstappen in een situatie waarin de formele overheidskapstok is verdwenen, maar waarin sociale partners EVC blijven beschouwen als een waardevol instrument voor de arbeidsmarkt.
Inhoudelijk positioneert de notitie EVC als een betrouwbaar en objectief valideringsinstrument binnen een steeds meer skillsgerichte arbeidsmarkt. Sociale partners benadrukken dat EVC zich onderscheidt van andere valideringsinstrumenten doordat wordt gewerkt met objectieve standaarden waarvan de kwaliteit is geborgd. Daarmee neemt EVC een herkenbare plaats in aan de meer objectieve kant van het spectrum van validering.
Vervolgens worden de rollen en verantwoordelijkheden binnen het stelsel opnieuw en expliciet beschreven. Het (Nationaal) Kenniscentrum EVC wordt gepositioneerd als regisseur en toezichthouder, belast met kwaliteitsborging, registerbeheer, het aanwijzen van beoordelende organisaties en het vaststellen en actualiseren van de kwaliteitscode.
Beoordelende organisaties beoordelen, in opdracht van het Kenniscentrum, de kwaliteit van EVC-aanbieders en EVC-trajecten op basis van uniforme toetsingsmethoden. EVC-aanbieders worden neergezet als dragende basis van het stelsel, verantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van procedures, transparante communicatie richting deelnemers en naleving van de kwaliteitscode. De Stichting van de Arbeid behoudt een legitimerende en signalerende rol, zonder zelf uitvoering of toezicht op zich te nemen.
Daarnaast bevat de notitie afspraken over financiering van het stelsel op basis van kostendekkende tarieven, over klachten- en geschillenafhandeling en over periodieke rapportage en overlegstructuren tussen de betrokken partijen. Deze elementen zijn bedoeld om vertrouwen in de kwaliteit en werking van EVC te behouden in een situatie waarin formele overheidssturing ontbreekt.
In de slotparagrafen worden ook expliciet vraagstukken benoemd die verdere uitwerking vragen, waaronder de proportionaliteit van het toezicht, aansprakelijkheid bij het gebruik van ervaringscertificaten en de wijze waarop aanbieders onderling communiceren. Daarmee wordt erkend dat het stelsel na het einde van het convenant nog in ontwikkeling is en dat verdere afstemming nodig blijft.
De betekenis van de notitie ligt daarmee niet in juridische afdwingbaarheid, maar in het expliciet maken van wederzijdse verwachtingen en verantwoordelijkheden. Zij vormt een tussenstation in de ontwikkeling van het EVC-stelsel: geen eindpunt, maar een noodzakelijke stap om continuïteit te waarborgen in een nieuwe bestuurlijke werkelijkheid waarin EVC niet langer via een convenant wordt gelegitimeerd, maar via gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken partijen.
4.3 Onderzoek naar kwaliteit en integriteit binnen het EVC-stelsel
De signalen over onvoldoende kwaliteit en mogelijke fraude binnen de zorgsector vormen in 2024 aanleiding voor een brede verkenning naar kwetsbaarheden in het EVC-stelsel.
Begin januari 2024 is de brandbrief ‘Alarmerende misstanden in de zorgsector’ namens een groep anonieme zorgprofessionals binnengekomen bij meerdere instanties. De brandbrief geeft signalen over slecht opgeleide mensen in de zorg en mogelijke fraude met diploma’s, cv’s en Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG). De brief heeft het ook over fraude bij diverse schakels in de zorgketen, zoals bij mbo-instellingen, stagebedrijven en bemiddelingsbureaus.
Op initiatief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is in januari 2024 met de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) in samenwerking met Stichting Bedrijfsleven en Beroepsonderwijs (SBB) een verkenning gestart die in juni 2024 verschijnt onder de naam ‘Er is meer aan de hand. Verkenning misstanden in het opleiden in de zorgsector‘. Dit document noemt structurele risico’s in een keten waarin EVC, opleidingen, bemiddelingsbureaus en werkgevers elkaar raken. In reactie hierop worden in meerdere fases zogenoemde versnellingskamers georganiseerd, waarin vertegenwoordigers uit de brede sector worden uitgenodigd om gezamenlijk knelpunten te analyseren en oplossingsrichtingen te verkennen. Deze aanpak markeert een verschuiving van individuele signalering naar collectieve reflectie op stelselkwetsbaarheden.
Parallel hieraan vindt handhavend optreden plaats. Het Openbaar Ministerie vervolgt één EVC-aanbieder die door het stelsel zelf is aangedragen en eerder al was geschorst wegens onregelmatigheden. Daarmee wordt expliciet gemaakt dat ook zelfregulerende stelsels niet losstaan van strafrechtelijke grenzen. Tegelijkertijd schakelt het SKJ-register Bureau Hoffmann in om gesprekken te voeren met alle EVC-aanbieders die SKJ-trajecten uitvoeren, met de Stichting Examenkamer en met de beoordelende organisaties Testudo en Hobéon.
Deze gesprekken zijn gericht op het verkrijgen van inzicht in werkwijzen, kwaliteitsborging en mogelijke kwetsbaarheden, niet op collectieve verdenking.
De maatschappelijke impact van deze ontwikkelingen is aanzienlijk. Media besteden uitgebreid aandacht aan de problematiek, onder meer via Nieuwsuur, de Volkskrant en Follow The Money. Daarnaast worden SKJ-erkenningen van diverse EVC-deelnemers ingetrokken wegens onregelmatigheden in onderliggende trajecten. Meerdere ministeries, inspecties en het OM adviseren mbo-instellingen in deze periode om terughoudend te zijn bij het verzilveren van ervaringscertificaten en starten onder de naam ‘datarooms’ eigen onderzoeken bij onderwijsinstellingen (zie 20241119-brief dataroom diploma’s zorg en welzijn.pdf) en ‘versnellingskamers’ met de EVC-toezichtkolom, EVC-aanbieders, en onderwijsinstellingen.
Een belangrijk neveneffect is dat EVC-deelnemers de onderwijsroute lastiger kunnen realiseren. Waar EVC bedoeld is als brug naar formele kwalificaties, leidt verhoogde voorzichtigheid bij examencommissies en instellingen tot strengere beoordeling en aanvullende eisen. Daarmee verschuift het zwaartepunt tijdelijk van toegankelijkheid naar risicobeheersing. Deze fase maakt zichtbaar hoe sterk de kwaliteit en legitimiteit van het EVC-stelsel samenhangen met vertrouwen in de gehele keten, en vormt een belangrijke achtergrond voor de latere aanscherping van kwaliteitskaders en governance-afspraken.
4.4 Nieuwe vertegenwoordiging van EVC-aanbieders
In 2024 volgt een volgende belangrijke stap in de herordening van de governance van het EVC-stelsel, wanneer de EVC Aanbiedersraad opgaat in het ValideringsBestuur Nederland.
Met deze overgang verandert niet alleen de naam, maar vooral de positionering en legitimatie van de vertegenwoordiging van EVC-aanbieders binnen het stelsel.
Waar de EVC Aanbiedersraad primair functioneerde als overleg- en belangenplatform, krijgt de vertegenwoordiging van aanbieders met het ValideringsBestuur Nederland een formelere en structurelere plaats binnen de governance. Het Valideringsbestuur fungeert vanaf dat moment als gesprekspartner voor andere stelselpartijen en als intern coördinerend orgaan namens alle EVC-aanbieders.
Kenmerkend voor deze nieuwe constructie is de samengestelde achterban van het ValideringsBestuur Nederland. Enerzijds bestaat deze uit bestuurders van organisaties die zijn aangesloten bij de NRTO, die EVC veelal benaderen vanuit een opleidings-, markt- en uitvoeringsperspectief. Anderzijds is de Vereniging van EVC-aanbieders vertegenwoordigd, met Johan van Dam namens de FMO, die een expliciete arbeidsmarkt- en werknemersinvalshoek inbrengt.
Deze combinatie weerspiegelt een bewuste keuze om verschillende perspectieven binnen het EVC-veld samen te brengen in één governance-orgaan.
Door opleidingsbelangen en arbeidsmarktbelangen gezamenlijk te laten landen, wordt beoogd een structureel evenwicht te creëren tussen economische, onderwijsinhoudelijke en maatschappelijke overwegingen.
De overgang naar het ValideringsBestuur Nederland moet worden gezien tegen de achtergrond van het wegvallen van het convenantmodel. In een situatie waarin overheidssturing is teruggetreden, wordt het des te belangrijker dat het veld zelf beschikt over een representatief en breed gedragen orgaan dat belangen kan afwegen, signalen kan bundelen en kan bijdragen aan de verdere ontwikkeling van het stelsel.
Daarmee markeert de oprichting van het ValideringsBestuur Nederland niet alleen een organisatorische wijziging, maar ook een verschuiving in verantwoordelijkheidsverdeling. De vertegenwoordiging van EVC-aanbieders wordt minder ad hoc en meer ingebed in de structurele governance van het stelsel, passend bij een volwassen EVC-praktijk waarin kwaliteit, draagvlak en legitimiteit gezamenlijk moeten worden geborgd.
4.5 Akkoord van Veenendaal (12 december 2024)
De herordening van het EVC-stelsel krijgt een formeel en richtinggevend sluitstuk met het Akkoord van Veenendaal, dat op 12 december 2024 wordt ondertekend.
Dit akkoord markeert het moment waarop het veld zelf expliciet verantwoordelijkheid neemt voor de verdere inrichting en doorontwikkeling van het valideringsstelsel, in een context waarin overheidssturing is teruggetreden.
Het akkoord is inhoudelijk gebaseerd op het document ‘RASCI voor een toekomstbestendig EVC-stelsel’ van 17 oktober 2024. In dit document zijn de taken, rollen, verantwoordelijkheden en onderlinge afhankelijkheden van alle betrokken partijen systematisch in kaart gebracht. De keuze voor een RASCI-benadering onderstreept de behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid in een stelsel dat in de voorafgaande jaren te maken had met verschuivende rollen en concentratie van verantwoordelijkheden.
Aan het Akkoord van Veenendaal gaat een intensief traject van overleg vooraf. Deze gesprekken vonden grotendeels plaats in Veenendaal, waar een van de EVC-aanbieders haar locatie beschikbaar stelde als ontmoetingsplek voor vertegenwoordigers van aanbieders, belangenorganisaties en andere stakeholders. De wijze waarop dit traject is vormgegeven, kenmerkt zich door een nadrukkelijke keuze voor gezamenlijke analyse en co-creatie. Niet een centraal aangestuurde herinrichting, maar een proces waarin partijen gezamenlijk knelpunten benoemen en oplossingsrichtingen uitwerken.
Het akkoord bouwt voort op eerdere afspraken binnen het EVC-veld, waaronder de notitie van 20 december 2023 en eerdere kwaliteits- en gedragsafspraken. Tegelijkertijd vormt het een duidelijke stap verder. In het akkoord wordt vastgelegd dat de erkende EVC-aanbieders de regie over de verdere ontwikkeling van het stelsel expliciet bij hun gezamenlijke belangenbehartigers beleggen.
Daarmee wordt gekozen voor een governance-model waarin vertegenwoordiging, besluitvorming en uitvoering duidelijker van elkaar worden onderscheiden.
Een belangrijk element van het akkoord is de afspraak om 2025 als overgangsjaar te benutten. Voor deze periode wordt voorzien in een interim Valideringsbestuur, samengesteld uit vertegenwoordigers van zowel aanbieders met een opleidingsoriëntatie als aanbieders met een arbeidsmarktoriëntatie. Deze constructie is bedoeld om de doorontwikkeling van het stelsel zorgvuldig te begeleiden en tegelijkertijd te werken aan een meer permanente governance-structuur.
Daarnaast bevat het akkoord afspraken over verdere uitwerking van kwaliteits- en gedragsregels, de inrichting van werkgroepen, financiële onderbouwing van het stelsel en het expliciteren van escalatie- en besluitvormingsmechanismen. Niet in de vorm van uitgewerkte regelgeving, maar als opdracht om deze elementen gezamenlijk en gefaseerd verder te concretiseren.
Het Akkoord van Veenendaal betekent daarmee geen terugkeer naar een convenantmodel, maar vormt een veldgedragen governanceafspraak. Het past bij een stelsel dat volwassen is geworden en waarin partijen erkennen dat duurzame kwaliteit en legitimiteit niet primair via overheidsafspraken worden geborgd, maar via gezamenlijke verantwoordelijkheid, transparante rolafbakening en onderlinge aanspreekbaarheid.
4.6 Bestuurlijke afronding en institutionele overdracht
Parallel aan deze governanceontwikkeling vindt een afronding plaats op bestuurlijk niveau.
De pensionering van Annie Kempers-Warmerdam markeert het einde van een periode waarin kennis, toezicht en governance sterk persoonsgebonden waren. Na haar vertrek worden nieuwe bestuurders aangesteld bij Stichting Examenkamer. In de praktijk blijkt echter dat binnen deze instelling onvoldoende zelfstandige kennisbasis aanwezig is gebleven om de rol van actief EVC-kenniscentrum te blijven vervullen.
Om die reden neemt de Stichting Examenkamer per 1 maart 2025 afscheid van de naam Nationaal Kenniscentrum EVC als operationele entiteit. Het resterende toezicht en de bijbehorende verantwoordelijkheden worden ondergebracht bij de Examenkamer.
Het Nederlands Kenniscentrum EVC (kortweg Nationaal Kenniscentrum EVC-EVC) presenteert zich vanaf 1 januari 2026 naar buiten toe als historisch kennis- en archiefplatform.
De focus ligt expliciet op:
- het publiek toegankelijk maken van historische documenten;
- duiding van stelselontwikkeling;
- en het vastleggen van institutioneel geheugen.
In deze vorm fungeert het kenniscentrum niet langer als actor in het stelsel, maar als bewaarder van de geschiedenis ervan.
4.7 Naar het nieuwe valideringsstelsel (2025–2030)
In de periode na het Akkoord van Veenendaal krijgt de herordening van het EVC-stelsel een concrete en ingrijpende uitwerking.
Centraal daarin staat de introductie van de Kwaliteitscode 4.0, die op 14 oktober 2025 formeel wordt vastgesteld als normenkader voor het nieuwe valideringsstelsel. Met deze kwaliteitscode wordt een volgende stap gezet in de verbreding en modernisering van het stelsel, zowel inhoudelijk als terminologisch.
Een belangrijk signaal van deze verandering is dat de Kwaliteitscode 4.0 niet langer spreekt over EVC-aanbieders, maar over valideringsaanbieders. Deze terminologische verschuiving is niet louter semantisch, maar weerspiegelt een bewuste beleidskeuze om het stelsel voor te bereiden op de opname van aanvullende valideringsvormen, waaronder skillassessments. Daarmee wordt vooruitgelopen op een breder valideringsstelsel waarin EVC een belangrijke, maar niet meer exclusieve plaats inneemt.
In samenhang met de invoering van de nieuwe kwaliteitscode stelt het Valideringsbestuur aanvullende eisen aan alle aangesloten aanbieders. Van iedere aanbieder wordt verlangd dat zij drie documenten aanleveren: een ondertekende verklaring van conformiteit met de Kwaliteitscode 4.0, een expliciet akkoord met de aangepaste kostenomslag binnen het stelsel en een concreet plan van aanpak waarin wordt beschreven hoe de implementatie van de nieuwe kwaliteitscode binnen de eigen organisatie wordt vormgegeven.
Deze vereisten markeren een duidelijke breuk met eerdere overgangsfases, waarin implementatie vaker gefaseerd en minder expliciet werd afgedwongen.
In dit geval wordt gekozen voor een helder moment van instemming en commitment, gekoppeld aan concrete consequenties.
Stichting Examenkamer past deze lijn consequent toe door per 1 januari 2026 aanbieders die niet aan alle drie de vereisten hebben voldaan, uit het register te verwijderen.
Als gevolg van deze opschoning resteert vanaf dat moment een aanzienlijk kleiner, maar duidelijker afgebakend veld van erkende aanbieders. In totaal blijven circa dertig valideringsaanbieders geregistreerd. Daarvan bevinden zich vierentwintig aanbieders onder toezicht van Testudo en zeven aanbieders onder toezicht van Hobéon. Deze concentratie onderstreept de mate waarin het nieuwe stelsel inzet op expliciete kwaliteitskeuzes, met als consequentie een verdere reductie van het aantal toegelaten aanbieders.
De introductie van Kwaliteitscode 4.0 en de bijbehorende herregistratie vormen daarmee het begin van een nieuwe fase. Het valideringsstelsel verschuift nadrukkelijk naar een model waarin aantoonbare kwaliteit, transparante governance en expliciete instemming met gezamenlijke spelregels centraal staan. In die zin vormt deze stap geen eindpunt, maar het vertrekpunt voor de verdere ontwikkeling van het valideringsstelsel in de periode 2025–2030.
Nederlands Kenniscentrum EVC (NKC-EVC)
Disclaimer en contact.
Het Nederlands Kenniscentrum EVC (NKC-EVC) heeft alle zorgvuldigheid betracht bij de totstandkoming van deze tekst.
Heeft u aanpassingen en/of aanvullingen, mail dan naar info@nkc-evc.nl.
Bij vragen over actuele kwesties verwijzen wij u naar de Kennisbank van Testudo,
testudo-onderzoek.nl/kennisbank, of info@testudo-onderzoek.nl.
