Hoofdstuk 5 – Toenemende spanning rond de toezichtrelatie (2026).
In 2026 verslechtert de communicatie binnen de toezichtkolom van het EVC-stelsel. Tussen de Stichting Examenkamer enerzijds en de beoordelende organisatie(s), het Valideringsbestuur en de Vereniging van EVC-aanbieders anderzijds ontstaat een reeks geschillen over informatiedeling, bevoegdheid en de voortzetting van het toezicht.

5.1 Aanloop: spanning over informatie-uitwisseling en de position paper van de Examenkamer
(januari–februari 2026).
Het jaar begint met een oplopend geschil over het delen van informatie binnen de toezichtkolom.
Op 21 januari 2026 verzoekt Testudo, als beoordelende organisatie (BO), de Examenkamer om concrete bevindingen te delen over een aantal EVC-aanbieders waarbij volgens de Examenkamer fraude of onregelmatigheden zouden zijn geconstateerd. Testudo wijst erop dat inzicht in deze bevindingen nodig is om de eigen onderzoekstaak goed te kunnen uitvoeren, ook bij andere standaarden van dezelfde aanbieders. De Examenkamer reageert dat zij niet gerechtigd is de betreffende informatie te delen vanwege daarop rustende beperkingen, en spreekt van het niet naleven van afgesproken communicatielijnen. In de daaropvolgende correspondentie ontstaat onenigheid over de vraag of hiermee (indirect) een verwijt van vertrouwelijkheidsschending richting Testudo wordt gemaakt; de Examenkamer geeft aan dat dit niet de strekking van haar bericht was. Hobéon, als tweede beoordelende organisatie, laat weten geen onderdeel te willen zijn van deze discussie en verzoekt uit de mailwisseling te worden gehaald, met de mededeling dat haar focus ligt op samenwerking en kalibratie binnen de toezichtkolom.
Ruim een maand later, op 26 februari 2026, brengt de Examenkamer een position paper uit waarin zij haar analyse van het stelsel en de voorwaarden voor voortzetting van haar toezichthoudende rol uiteenzet. De Examenkamer signaleert structurele spanningen in de inrichting van het stelsel: vermenging van de rollen stelselontwikkeling, uitvoering en toezicht; publiekrechtelijke kenmerken (erkenning, handhaving, intrekking) die zijn vormgegeven in een privaatrechtelijke constructie; het ontbreken van een duidelijk belegd opdrachtgeverschap met doorzettingsmacht; en een financieringsmodel dat de toezichthouder afhankelijk maakt van marktvolume. Op basis hiervan formuleert de Examenkamer vijf randvoorwaarden voor voortzetting van haar rol: expliciet belegd eigenaarschap, volledige onafhankelijkheid van toezicht, financieel onafhankelijke bekostiging, herinrichting van het toezichtmodel, en juridisch robuuste governance. De Examenkamer kondigt aan tot en met 31 december 2026 haar rol conform de bestaande afspraken te blijven vervullen, en geeft aan dat zij zich, indien de randvoorwaarden niet uiterlijk 1 januari 2027 zijn ingevuld, genoodzaakt ziet haar toezichthoudende rol te beëindigen.
5.2 Voorwaarden bij erkenningstrajecten en opzegging door het Valideringsbestuur
(maart–april 2026).
Het geschil verschuift van woorden naar daden.
Op 31 maart 2026 informeert de Examenkamer Testudo over drie beleidsposities ten aanzien van lopende erkenningstrajecten: erkenningen zullen voortaan uitsluitend “onder expliciet protest” worden verstrekt, de geldigheid van te verstrekken erkenningen wordt beperkt tot uiterlijk 31 december 2026, en er worden geen nieuwe erkenningstrajecten meer gestart. De Examenkamer verwijst hierbij naar de kamerbrief van 13 februari 2026, de uitkomsten van steekproeven en haar eigen position paper, en geeft aan zich het recht voor te behouden om Testudo te vragen haar te vrijwaren voor eventuele claims van EVC-aanbieders die schade zouden ondervinden.
Drie weken later, op 20 april 2026, laat het Valideringsbestuur de Examenkamer weten de samenwerking te beëindigen, met ingang van 21 april 2026. Het Valideringsbestuur geeft daarbij opdracht tot volledige overdracht van een aantal taken, waaronder het toezicht op de uitvoering en borging van EVC-procedures, de administratie van geregistreerde en lopende EVC-trajecten, en de toegang tot en het beheer van de registratie van EVC’s, inclusief systemen en autorisaties. De brief bevat tevens een bepaling waarin de Examenkamer, haar bestuurders, medewerkers en ingeschakelde derden wordt gewezen op een verplichting zich te onthouden van uitlatingen die het EVC-stelsel, het Valideringsbestuur of aangesloten aanbieders in diskrediet zouden kunnen brengen, onder verwijzing naar de artikelen 6:2, 6:248 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.
5.3 Informatievoorziening, sommatie en escalatie naar de Raad van Commissarissen
(mei–juni 2026).
De druk op de Examenkamer neemt toe, en verschuift van het stelsel naar de bestuurders zelf.
Medio mei 2026 informeert het Valideringsbestuur de EVC-aanbieders over de beëindiging van de samenwerking met de Examenkamer en de eigen koers voor het stelsel. In een informatiedocument van 19 mei 2026 stelt het Valideringsbestuur dat het besluit is gericht op het structureel versterken van kwaliteit, governance en eigenaarschap, en dat continuïteit is gewaarborgd. Op 10 juni 2026 reageert een groep bij de NRTO aangesloten EVC-aanbieders op deze communicatie: zij stellen dat het Valideringsbestuur, zoals afgesproken in het Akkoord van Veenendaal, functioneerde als interim-orgaan zonder eigen juridische entiteit, dat er na hun terugtrekking geen situatie meer bestaat waarin het Valideringsbestuur namens alle EVC-aanbieders kan spreken, en dat zij zich distantiëren van de geschetste koers.
In dezelfde periode verscherpt het Valideringsbestuur de druk op de Examenkamer om medewerking te verlenen aan de overdracht. Op 4 juni 2026 stuurt het Valideringsbestuur een sommatie waarin wordt gesteld dat tot dan toe geen inhoudelijke reactie of medewerking is ontvangen, met een termijn van drie werkdagen en de aankondiging dat bij het uitblijven daarvan juridische en organisatorische maatregelen kunnen volgen. Een dag later, op 5 juni 2026, informeert het Valideringsbestuur ook de Raad van Commissarissen van de Examenkamer over de ontstane situatie, met het verzoek toe te zien op een spoedige inhoudelijke reactie van het bestuur en op medewerking aan de overdracht.
5.4 Formele reactie van Testudo en discussie over de rechtsgeldigheid van het Valideringsbestuur
(juni 2026).
Ook de bevoegdheid van het Valideringsbestuur zelf komt ter discussie te staan.
Op 8 juni 2026 stuurt Testudo een formele, gedocumenteerde reactie op de e-mail van de Examenkamer van 31 maart 2026. Testudo brengt daarin een aantal juridische en procedurele bezwaren naar voren: zij wijst op de preambule van de Kwaliteitscode 3.0, die volgens Testudo naast de Kwaliteitscode 4.0 onverminderd rechtskracht heeft voor governance en erkenningstermijnen; signaleert dat het NKC-EVC per 1 maart 2025 in de Examenkamer is geïncorporeerd, waardoor normstelling, toezicht en beleidsbeslissingen in één instantie samenkomen; constateert dat de aangekondigde maatregelen niet rechtstreeks aan de betrokken EVC-aanbieders zijn gecommuniceerd; en wijst op een mogelijk verschil in behandeling tussen aanbieders onder toezicht van Testudo en aanbieders onder toezicht van Hobéon die reeds erkenningen tot 2029 hebben ontvangen. Testudo wijst het door de Examenkamer aangekondigde vrijwaringsverzoek van de hand en verzoekt de Examenkamer binnen veertien dagen
(uiterlijk 22 juni 2026) schriftelijk te reageren op een aantal specifieke vragen over grondslag en bevoegdheid.
Twee dagen later, op 10 juni 2026, reageert de voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Examenkamer op de eerdere berichten van het Valideringsbestuur. In deze reactie wordt de formele grondslag waarop het Valideringsbestuur handelt ter discussie gesteld: gesteld wordt dat het Valideringsbestuur geen in het Handelsregister ingeschreven rechtspersoon of orgaan is en geen partij was bij de stakeholdersafspraken van 2023, en dat uit de Kwaliteitscode 4.0 niet zonder meer een bevoegdheid volgt om bindende besluiten te nemen of eenzijdig een samenwerking te beëindigen. Er wordt verzocht binnen vijf werkdagen schriftelijk toe te lichten wie het Valideringsbestuur vertegenwoordigt, wat de rechtsvorm en juridische status ervan is, en op welke grondslag de eerdere besluiten zijn genomen.
5.5 Vragen van de Vereniging van EVC-aanbieders en het besluit van de Examenkamer (juni 2026).
De vragen stapelen zich op, terwijl de Examenkamer een definitieve streep trekt.
Op 17 juni 2026 wendt de Vereniging van EVC-aanbieders (VvEA) zich rechtstreeks tot de directie van de Examenkamer. De VvEA meldt signalen van haar leden over onduidelijkheid ten aanzien van de gehanteerde normen en kaders bij audits en accreditaties, verschillen in de wijze waarop accreditaties worden verlengd of beëindigd, en spanning tussen communicatie over mogelijke onregelmatigheden en de feitelijke opvolging daarvan. De VvEA vraagt daarnaast aandacht voor de onafhankelijkheid van toezicht in een stelsel waarin aanbieders tevens financier zijn, en verzoekt om nadere toelichting op vier punten.
Twee weken later, op 30 juni 2026, besluit het bestuur van de Examenkamer, met instemming van haar Raad van Commissarissen, haar rol binnen het huidige EVC-stelsel per 31 december 2026 te beëindigen.
De Examenkamer motiveert dit besluit met een verwijzing naar de in haar position paper van 26 februari 2026 geformuleerde randvoorwaarden, die naar haar oordeel niet adequaat zijn ingevuld. Het besluit plaatst de Examenkamer in de bredere historische context van haar aanwijzing als uitvoeringsorganisatie in 2016, het aflopen van het Convenant EVC per 2022, de toenemende berichtgeving over fraude vanaf 2024, het Akkoord van Veenendaal en de opzegging door het Valideringsbestuur in april 2026. De Examenkamer geeft aan het huidige register niet te kunnen overdragen aan partijen zonder formele rechtspersoonlijkheid, duidelijke governance en passende juridische grondslag. Bij de kennisgeving van dit besluit deelt de Examenkamer Testudo tevens mee de bestaande overeenkomst tussen partijen op te zeggen tegen 31 december 2026, met een opzegtermijn van drie maanden.
5.6 Reacties op het besluit: de Vereniging van EVC-aanbieders en Testudo
(juli 2026)
Het besluit brengt geen rust, de discussie verschuift naar de Raad van Commissarissen.
Op 7 juli 2026 reageert de VvEA op het besluit van de Examenkamer. Zij noemt het besluit een wijs en onvermijdelijk gevolg van de eerdere opzegging door het Valideringsbestuur, maar stelt tegelijk vast dat eerder door haar gestelde inhoudelijke vragen over de aard van fraudesignalen en de daaruit voortvloeiende toezicht- en handhavingsmaatregelen tot dan toe onbeantwoord zijn gebleven. De VvEA benadrukt het belang van transparantie over de periode 2023–2026 en bepleit een onafhankelijke governance-evaluatie van diezelfde periode, mede met het oog op reputatieschade die volgens de VvEA is ontstaan voor aanbieders die volgens de geldende kwaliteitsnormen hebben gewerkt.
Op 10 juli 2026 wendt Testudo zich met een brief tot de voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Examenkamer, met afschrift aan de Examenkamer zelf, het Valideringsbestuur en de VvEA. Testudo brengt daarin drie punten onder de aandacht: (1) zij stelt zich op het standpunt dat de Examenkamer niet bevoegd is om erkenningstermijnen eenzijdig te verkorten, en wijst erop dat audits met een positief advies volgens de geldende afspraken tot een erkenning van 36 maanden zouden moeten leiden; (2) zij signaleert een verschil in behandeling tussen aanbieders onder toezicht van Testudo, van wie erkenningen zijn beperkt tot 31 december 2026, en aanbieders onder toezicht van Hobéon die erkenningen tot 2027–2029 hebben ontvangen; en (3) zij betwist dat de bij het besluit van 30 juni 2026 aangekondigde opzegging van de overeenkomst met een termijn van drie maanden rechtsgeldig is, met als argument dat de aanwijzing van een beoordelende organisatie naar haar mening geen gewone contractuele relatie is die zich eenzijdig laat opzeggen.
Testudo wijst de Raad van Commissarissen daarbij op diens eigen toezichthoudende verantwoordelijkheid op grond van de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen, en verzoekt binnen vijf dagen om opheldering en om schriftelijke bevestiging aan alle erkende EVC-aanbieders dat de bestaande erkenningstermijnen worden nageleefd.
Op 14 juli verstuurt de Examenkamer het volgende bericht aan een benadeelde EVC-aanbieder (fragment):
“In ons bericht aan u d.d. 03-04-2026 hebben wij de door u gevraagde verlenging van de erkenning tot […] 2029 slechts gegeven tot 31 december 2026. De erkenning hebben wij verder “onder protest” gegeven. Onder intrekking van ons eerdere bericht laten wij u weten de gevraagde verlenging van de erkenning te verlenen tot […] 2029.
Ter toelichting merken wij het volgende op. Per abuis hebben we in ons eerdere bericht geen onderscheid gemaakt tussen de beëindiging van onze rol in het EVC-stelsel enerzijds en de betekenis van (verlenging van) erkenningen anderzijds.“
De Examenkamer verklaart verder in ee mailbericht aan Testudo: “Daarbij past nog de opmerking dat wij uw erkenning niet met de beëindiging van onze rol binnen het huidige EVC-stelsel hebben beoogd in te trekken.”
Daarmee lijkt de kwestie opgelost.
